Meerzorg » Page '9. En de klasleraar?'

9. En de klasleraar?

De gewone basisschool evolueert meer en meer naar een ‘buitengewone’ basisschool. 

 

Het aantal traag- of moeilijk lerende kinderen neemt toe, en niet alleen door de taalarme kinderen uit sociale achterstandsgroepen. Onze competitieve en complexe maatschappij zorgt mee voor een stijgend aantal zorgvragen van kinderen met normale begaafdheid, maar met kwetsbare aanleg. Zo bvb bij autisme, dyslexie, dyscalculie, ADHD… Door de wetenschappelijke vooruitgang herkent men deze problemen meer en meer als specifieke zorgvragen. Ook gedrags- en emotionele problemen nemen toe! Daarnaast wordt men terecht ook gevoeliger voor de zorgvraag van kinderen met leervoorsprong.

De nieuwe visie over handicap is dat je een probleem steeds dient te bekijken in interactie met de omgeving. Vaak is die omgeving en ook het onderwijs zelf een heel bepalende factor bij het escaleren van een zorgvraag. Neen, je kan er niet omheen dat de zorgvragen steeds maar toenemen.

 

Hoe gaat de klasleraar vandaag om met deze steeds groter wordende eisen?

 

De klasleraar is dé spilfiguur.

Een goede klasleraar kan veel. Hij kan omgaan met verschillen en met kleine zorgvragen van kleuters en kinderen door te differentiëren en door kort op de bal te spelen met verlengde instructie en remedieerlesjes. Verder gaat hij in overleg met ouders en zorgcoördinator om haalbare maatregelen te vinden die het kind telkens weer een eindje verder helpen(= handelingsgericht werken).

Hoe gaat de klasleraar echter om met de zorgvragen die hij niet kan oplossen binnen de klas? Hoe kan hij systematische begeleidingstrajecten opstellen en uitvoeren? Volstaat het hem te omringen met pedagogische begeleiders, allerhande navormers uit steunpunten, inspectie, raadgevers uit buitengewoon onderwijs?

 

Meester Ludo, klasleraar vijfde leerjaar, drukt het zo uit: “we hebben vooral nood aan collega’s die zelf ook deze kinderen begeleiden en ons vanuit die kennis en ervaring ‘op de werkvloer’ ondersteunen door met ons te overleggen, mee materiaal te ontwikkelen en maatregelen te zoeken die we in de klas kunnen uitvoeren.”

 

De klasleraar vraagt dus expliciet naar de rechtstreekse, degelijke ondersteuning van de zorgcoördinator, en ook van de CLB-medewerker en van de GON-begeleider. Veel meer dan nu het geval is.

Kijk bvb naar de zorgcoördinator. Die is op elke school wel aanwezig, maar de omkadering is zo beperkt, dat het –zelfs bij de meest deskundige onder hen-  onmogelijk is om de terechte verwachtingen van elke klasleraar waar te maken.

 

Nog zwaarder

 

Meester Ludo zal in zijn vijfde leerjaar meer dan nu te maken krijgen met traaglerende, randbegaafde kinderen en met kinderen met leerstoornissen die een gewoon diploma kunnen halen. De school kan hen niet meer doorverwijzen en kan hierbij alleen rekenen op de zorgcoördinator die hiervoor gemiddeld per school nog geen half uur per week bij zal krijgen.

De druk op de school neemt toe, want ouders van deze kinderen hebben –zo mogelijk- nog meer verwachtingen dan in het buitengewoon onderwijs.

Hoeveel kinderen met nog ernstiger handicaps in zijn klas binnenkomen, is moeilijk te zeggen. Dit hangt af van de vrije keuze van de ouders. Maar zeker is dat ook dit aantal zal toenemen. Hoe ernstiger de zorgvraag, hoe meer begeleiding wordt voorzien, toch? Ja, maar ook dan zal de gewone klasleraar er heel vaak alleen voor staan.

 

En tijd om te overleggen?

De klasleraar moet meer en meer overleggen met de zorgcoördinator, met verschillende begeleiders, met de CLB-medewerker, en met ouders.

De minister verplicht de school voortaan om handelingsgericht te werken, en dan is intens overleg absoluut noodzakelijk. Ook bij het basisaanbod en bij zorgniveau II, net als in het buitengewoon onderwijs!

Maar wat blijkt? Alleen voor de kinderen met ernstige handicaps, die een apart programma volgen, krijgt de klasleraar een beetje overlegtijd, zes halve dagen per schooljaar.

 

 

 

 

Posted in Uncategorized