1.Dertien zorgvelden
Volgens het geplande leerzorgkader krijgt elk kind een plaats in een hokje, een zorgveld. Dit geeft aan voor welk zorgaanbod het in aanmerking komt.
Dit zorgveld geeft het zorgniveau aan, en ook de cluster.
Voorbeeld: Pieter- 10 jaar, dyslexie- hoort thuis in zorgveld II, 1. D.w.z. hij krijgt een zorgaanbod dat beantwoordt aan zorgniveau II, en een concrete zorgbegeleiding die hoort bij cluster 2.
Pieter zal dus verplicht in het gewoon onderwijs moeten blijven, met dispenserende maatregelen (=zorgniveau II), en wordt voor zijn leerstoornis begeleid door de zorgcoördinator (=cluster 2)
Zorgniveau I tot V
Een zorgniveau geeft dus in het algemeen aan op welk aanbod het kind recht heeft.
Zo:
|
Zorgniveau I |
= Verplicht gewoon onderwijs |
Gewoon basisaanbod
|
|
Zorgniveau II |
Extra zorgaanbod, mét dispenserende maatregelen zodat het kind toch een gewoon diploma kan behalen |
|
|
Zorgniveau III |
= Gewoon of buitengewoon onderwijs |
Kind volgt individueel leerprogramma, waardoor geen gewoon diploma mogelijk is
|
|
Zorgniveau IV |
Kind volgt individueel leerprogramma, en nog intensiever zorg, geen gewoon diploma mogelijk
|
|
|
Zorgniveau V |
=Tijdelijk apart onderwijs |
Zoals bvb ziekenhuisschool |
Cluster 1 t/m 4
Een cluster geeft aan op welk concreet zorgaanbod dit kind recht heeft, naargelang de aard van beperking die het kind desgevallend heeft.
Nu spreken we bij scholen van het buitengewoon onderwijs nog over acht types (type 1->8).
In het leerzorgkader blijven deze types bestaan, met de nieuwe naam doelgroepen en aangeduid met letters A->G i.p.v. cijfers.
Men groepeert deze doelgroepen in clusters, nl. cluster 2, 3 en 4.
En autisme wordt een nieuwe, aparte doelgroep, ondergebracht als doelgroep H in cluster 4.
Zo komt er een beter verspreid aanbod binnen Vlaanderen, want BO-scholen kunnen dan
verbreden en verdiepen als clusterscholen.
Deze term cluster duikt ook binnen heel het leerzorgkader op. Voortaan wordt elk kind dus in één van deze clusters ingedeeld.
In het gewoon onderwijs, op zorgniveau I en II, werkt men zelfs met vier clusters.
Alle kinderen met zorgvragen die je niet kunt onderbrengen bij een vastgestelde stoornis(cluster 2,3,4) vind je in cluster 1.
Zo:
|
Cluster 1 |
Cluster 2 |
Cluster 3 |
Cluster 4 |
|
geen stoornis
of
zorgvragen die nog niet erkend zijn als stoornis (bvb dyslexie 1ste-2de lj) |
doelgroep A ïtype 1 Licht verstandelijke handicap (IQ ts 50 en 70)
|
doelgroep C ïtype 2 Matige of ernstige,diepe verstandel.handicap |
doelgroep G ïtype 3 Gedrags- of emotionele stoornis en ADHD |
|
doelgroep B ïtype 8 Leerstoornis |
doelgroep D ïtype 4 Motorische beperking |
doelgroep H ïnieuw Autismespectrum-stoornis |
|
|
doelgroep E ïtype 6 Visuele beperking |
|||
|
doelgroep F ïtype 7 Auditieve beperking |
Clusters worden héél belangrijk, ook binnen het gewoon onderwijs!
De cluster geeft immers aan of het kind recht heeft op gespecialiseerde zorgbegeleiding,
ofwel gewoon onder het basisaanbod valt.
Ook hangt het van de cluster af of het kind al of niet beroep kan doen op gespecialiseerde begeleiders vanuit het buitengewoon onderwijs.
Ook bepaalt het cluster of deze begeleiding gegarandeerd is voor deze leerling, ofwel over een aantal kinderen moet verdeeld worden.
Voorbeeld 1: Jana – 11 jaar, grote leervoorsprong- zit in cluster 1. Niet zo goed, en ook niet zo rechtvaardig, want daar voorziet men geen speciaal zorgaanbod buiten het basiszorgaanbod dat ook in zorgniveau I voorzien wordt.
Voorbeeld 2: Toen Pieter (van daarnet) negen jaar oud was, was zijn dyslexiestoornis nog niet officieel vastgesteld. Tot 10 jaar zat Pieter nog in cluster 1=basiszorgaanbod. Niet zo goed, niet zo rechtvaardig…
Dertien zorgvelden
Door de combinatie van zorgniveau en cluster zijn er zo dertien hokjes of zorgvelden.
|
|
Cluster 1 |
Cluster 2 |
Cluster 3 |
Cluster 4 |
|
Zorgniveau I |
I,1
|
I,2
|
I,3
|
I,4 |
|
Zorgniveau II |
II,1 |
II,2 |
II,3 |
II,4 |
|
Zorgniveau III |
|
III,1 |
III,3 |
III,4 |
|
Zorgniveau IV |
|
|
IV,3 |
IV,4 |